Elke week lijkt een maand op zich. Gewoon omdat er zoveel gebeurd in korte tijd. Morgen is het vier weken geleden dat ik op het vliegtuig stapte naar Uganda. Net nadat ik afscheid had genomen en ik in de rij stond voor de security check en paspoort controle, belde één van mijn lieve vriendinnen mij nog even. Terwijl ik langzaam vooruit schoof door de rij van mensen met paspoorten en koffers, kon ik even mijn verhaal kwijt bij haar.

Onze vriendschap is er één vol contrasten. We hebben een andere huidskleur, een andere afkomst en een ander geloof. Maar dat maakt allemaal niet uit. Want voor mij is zij één van de mooiste mensen in de wereld. Waar de media mij wil laten geloven dat we bang zouden moeten zijn voor elkaar, hou ik van haar. Nadat ik eindelijk door de rij heen was, hing ze op met de woorden: “Mag God je beschermen op je reis, ik bid voor je.” Deze week gaat ze zelf op reis en zal ik voor haar bidden.

Contrast.

De wereld is verdeeld.

Deze week voelde ik dat heel sterk. Zodra je het nieuws opent gaat het over verkiezingen, dreiging en politieke spanningen. Op het grote wereldtoneel staan de machtigste mensen lijnrecht tegenover elkaar.

Contrast.

En toch draait de wereld door.

Ook als je rondloopt in een vluchtelingenkamp.

Na de dagen vrij rond Pasen, ben ik afgelopen week met volle energie weer aan de slag gegaan. Na een dagje op kantoor, richting Arua. Het West Nile programma gebied was aan de beurt. Ondanks dat mijn basis in Kampala is, is het super belangrijk om vooral tijd door te brengen in het veld. Daar waar de projecten worden uitgevoerd. Omdat de impact daar is en niet hier achter een bureau. Ik zie mijn rol als Program Advisor dus ook echt als ondersteuning en support van de teams in het veld. Vandaar dat ik zeker in het begin, zo veel mogelijk tijd daar wil doorbrengen.

Dus de rest van de week heb ik doorgebracht in het noorden van Uganda. Vlakbij de grens met Congo. Vlakbij de grens met Zuid-Soedan. En toch is leven ook zo gewoon. Ik heb mijn 200ste blog gevierd met lekker eten met collega’s. Ik heb uren in de auto gezeten met chapati’s en flessen water als lunch. Gepraat met de lokale staff die het echte werk doen terwijl ik vooral luister.

Daar loop je dan. Tussen de tentjes van UNHCR plastic. In een gebied waar nog niet echt regen veel regen is gevallen en het hongerseizoen begint. Waar lokale bevolking overleeft met mango’s en termieten.

Daar loop je dan. Tussen de kinderen op het schoolplein. Zou jij je het kunnen voorstellen? Een basisschool waarvan 1/3 van de kids gevlucht is. Sommige zijn nog maar net in Uganda. Gelukkig kun je dan naar school. Met een beetje mazzel krijg je in ieder geval één fatsoenlijke maaltijd op school.

Het voelt zo dubbel allemaal. Ook in een vluchtelingenkamp, met eindeloos veel lege ruimte, lijkt het leven tot op zekere hoogte normaal. En toch is het verre van dat.

Maar ik ben de mzungu, ik zie de glimlach en de trotse trainers die zelf ook nog maar een paar maanden in Uganda zijn. Ik zie de spanningen en conflicten niet. Ik hoor er wel van. Ik weet dat ze er zijn. Net zoals ik weet dat de oorlog in Zuid-Soedan en de onrust in Congo niet morgen voorbij zijn.

Na een paar dagen in Arua, gingen we weer op weg naar huis. Mijn eigen plekje met een douche, een koelkast en een warm bed. Veiligheid. En als afsluiting, even dieren kijken langs de Nijl. Natuurpracht in al zijn glorie. Afrika, zoals wij Afrika graag willen zien.

Maar in mijn hoofd zit nog dat beeld van dat hutje van stokken en plastic. Leeg. De bewoner ervan is blijkbaar terug gegaan naar Zuid-Soedan. Ik weet niet waarom, maar ik snap ook wel dat zo ongeveer elke plek beter is dan een stukje droge grond in de leegheid van Noord-Uganda.