Tijd is een bijzonder iets. Menselijk. Bedacht om grip te krijgen op de wereld om ons heen. Het is zondagavond. De hele dag loop ik al rond met deze blog in mijn hoofd. Woorden die zich langzaam vormen, herschikken, verdwijnen en weer boven komen drijven. Ik luister naar een boek, omdat ik dan ondertussen eindelijk mijn woonkamer af kan maken. Ik hang mijn origami lamp op en trek met een zwarte pen de lijntjes over van een paar van mijn favoriete quotes over die ik zo op de muur ga hangen. Ondertussen laat ik mijn rijst en kikkererten aanbranden. (Serieus, dat overkomt mij bijna nooit. Gelukkig was het alleen maar een beetje op de bodem verbrand.) Tijd lijkt voorbij te vliegen. Ik wilde nog van alles doen vandaag, maar dat zal moeten wachten tot morgen. Dan is er weer een nieuwe dag.

Twee maanden. Zo lang ben ik hier nu in Uganda. Gisteren schreef ik erover terwijl ik een kopje koffie dronk bij BROOD. Net zoals ik deed op de eerste zaterdagochtend in Kampala. Even iets vertrouwds in een hele nieuwe omgeving. Mijn gedachten vlogen terug naar de maandag morgen waarop ik mijn belangrijkste mensen een laatste knuffel gaf en in de lange, lange rij aansloot. Net op tijd kwam ik aan bij mijn vliegtuig, klaar voor een nieuw avontuur. Geen idee wat me precies te wachten stond. Geen idee dat de tijd echt voorbij zou vliegen.

De eerste paar weken was ik bezig met mijn hoofd boven water houden. Simpelweg leren leven in een nieuwe omgeving. Kampala is een grote, hectische stad. Stiekem ben ik maar een klein, introvert meisje dat voor altijd zal blijven houden van het platteland. Ik had behoefte om even een stapje terug te nemen. Tijd met mezelf door te brengen en even in de spiegel te kijken van mijn gebroken hart. Om te leren voelen, kijken en aandacht te geven aan leven.

En dat heeft me o zo veel moois gebracht.

Ik wil je even meenemen naar afgelopen week. Precies een week geleden wilde ik een blog schrijven, maar ik was zo moe. Niet veel later begon ik met overgeven. Voedselvergiftiging. Kan gebeuren. Hoewel ik er nooit echt last van heb gehad op één van mijn reizen, moest ik er nu aan geloven. De hele nacht in en uit bed. Nauwelijks geslapen. Toch stond ik de volgende morgen op. Ik had namelijk een reis in de planning. Dus met mijn tas en tablets, ging ik op weg naar het vliegveld. Dankbaar dat ik niet uren in de auto hoefde te zitten. In een uur was ik aan de andere kant van het land.

Gelukkig kan een mens prima een paar dagen zonder eten. Mijn energie haalde ik uit de ontmoetingen. Voor het eerst in twee maanden kon ik met heel mijn hart en vol overgave echt aan het werk gaan. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat (aka zolang er stroom was), heb ik gewerkt aan het voorbereiden van trainingen en verbeteren van KoBo vragenlijsten. Dat was vooral vermoeiend, maar het was het zo waard. Niet omdat het zo super interessant is om iemand te leren om naar rechts te swipen op een tablet, maar door het lichtje in de ogen van deze Zuid-Soedanese man dat langzaam ging branden. Het enthousiasme van de staff en de trainers over het grotere plaatje van het project. Pas rond een uur of 4 ‘s middags op de donderdag, realiseerde ik me dat het Hemelvaartsdag was.

En dan was er dat moment waarop ik vroeg aan de tieners van de Driestar of ze hun week in Uganda konden samenvatten in een paar woorden. Uitgeput, maar met een hart vol nieuwe ervaringen, zullen ze ondertussen weer veilig in Nederland zijn. Ik dacht terug aan mijn eerste vliegreis. Vijftien jaar. Samen met een jongen die ik nog maar amper kende, vloog ik naar New York. Die zomer veranderde alles voor mij. Ik weet nog goed dat bij het afscheid één van de staffleden mij toefluisterde: “Go share yourself with the world. Dream big. Be courageous.”

De eerste twee maanden zijn voorbij gevlogen. Maar wat waren ze mooi. Ik begin langzaam weer een beetje grip te krijgen op alles wat er gebeurd om mij heen en vooral wat er gebeurd in mijn hoofd en hart. Terwijl ik mijn lichtelijk verbrande curry opeet, denk ik na over tijd. Tijd is iets geks. Het lijkt sneller en langzamer tegelijkertijd. De verse sla op mijn bord is nog maar een paar weken geleden geplant en nu al groot.

Tegelijkertijd lijkt het afscheid op Schiphol eeuwen geleden. Nederland lijkt ver zo weg. Het schijnt er warm te zijn. Maar ik kan alleen maar herinneren hoe de hitte voelde toen ik afgelopen week door het vluchtelingenkamp liep. Mijn voeten waren stoffig en alles plakte. Ik had al drie dagen niets gegeten (of wel gegeten, maar er weer uitgegooid) en ik leef. Volop. In mijn hoofd borrelde een Nederlands liedje op: “Heb het leven lief en wees niet bang.” En in mijn hart hoorde ik die woorden die ik meekreeg aan het einde van mijn eerste Camp Rising Sun zomer: “Deel jezelf met de wereld. Droom groots. Wees moedig.”

Leef als een kind van de wind en van de liefde
En herken de open blik in de ogen van een vreemde
Dans met de maan, sla je armen om de sterren
Ga je dromen achterna op de maat van de seizoenen

Heb het leven lief, met je ogen dicht of in het volle licht
Hou van wie je ziet pak de liefde vast en verlies haar niet
Heb het leven lief in de grijze nacht en als de morgen lacht
Heb het leven lief en wees niet bang