Het is vaderdag! Ook al ben ik niet meer zo klein dat ik ‘s ochtends naast het bed sta van mijn ouders met zelfgemaakte macaroni kettingen en groen met rood gestreepte klerenhangers, ik ben en blijf altijd één van mijn papa’s kleine meisjes. Helemaal groot worden zal ik toch wel niet, want anders had ik ondertussen wel een keer afgeleerd om te knoeien met m’n eten. Dat gaat namelijk nog wel eens mis. Ach ja, iedereen heeft zo zo’n mindere momentjes. Afgelopen week was er zo één. Met herinneringen die lang zullen blijven en ook mindere momentjes.

Van de week hebben jullie een paar blogs moeten missen. Maar vandaag maak ik het goed, oké. Het is niet dat ik niet heb geschreven. Alleen zijn veel gedachten tussen mij en mijn pen en papier. Verder helpt het ook niet mee als je niet helemaal fit bent of op reis bent.

Er is veel gebeurd in de afgelopen twee weken. Als ik in het Nederlands schrijf, moet ik altijd even terug lezen, naar wat ik eerder heb geschreven. Juni is alweer over de helft. Ik zeg steeds: “ik ben hier nu twee maanden,” maar het zijn er al bijna drie. Tijd vliegt. En zoals ik mijn vorige Nederlandse blog schreef, het is een prachtig leven. Gebroken, maar vol. Die week las ik een interview met de nieuwe ZOA directeur. Spreuken 3 was de kern. Nadat ik de laatste Nederlandse blog online heb gezet, kwam die tekst op verschillende manieren steeds weer terug. Vertrouw. Met heel je hart. Bind de liefde en trouw om. Toeval dat ik net die week een pakketje kreeg van thuis met daarin een armbandje met het Onze Vader? Het was alsof allerlei puzzelstukjes even bij elkaar kwamen.

Vandaag lunchte ik met een vriendin hier in Kampala. We praatten over onze weken, op kantoor en in het veld. En over de toekomst. En over leven in het moment. Juist nu is het moment om even stil te staan. Je ogen dicht te doen of juist open. En te voelen. Van de week had ik nog zo’n momentje. Ik werd wakker rond middernacht van de klemmende deur van het hutje van de buurman. Toen realiseerde ik me dat ik een halve liter thee had gedronken voordat ik ging slapen en dus moest ik heel nodig plassen. Dus ik ging mijn bed uit, hutje uit, liep naar de andere kant van het terrein. Pikdonker daar in Amudat. Terwijl ik terug liep, keek ik omhoog en stond ik even stil om simpel weg te staren naar de eindeloze sterrenhemel. Ik heb geen idee hoe lang het was. Maar het was simpelweg, even in het moment zijn. Niets anders dan de stilte van de nacht en de frisse avondlucht. In mijn hart kwam een zinnetje op uit een gedicht van Mary Oliver:

Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting
over and over announcing your place
in the family of things.

Wild Geese – by Mary Oliver

Familie. Thuiskomen. Intimiteit. Afstand. Verbinding. Moeizame groei.

Dat vat de blogs van de afgelopen twee weken wel zo’n beetje samen. Een week van hard werken op kantoor: programmeren, ontwerpen en veel te veel emails. Een extra vrije dag en toen op reis. Terug naar Amudat. De vorige keer dat ik daar was, ergens begin mei, veranderde er voor mij echt iets. Het was alsof ik het nodig had om fysiek het laatste programma gebied te leren kennen voordat ik me echt thuis kon gaan voelen. Dus terug keren naar die plek voelde als thuiskomen. Nu ik dit schrijf, denk ik terug aan precies een week geleden. Een zondagavond in de middle of nowhere koken zonder stroom, maar gelukkig met koud bier en goed gezelschap onder de mooiste sterrenhemel. Conclusie van die avond: trainee zijn is lang niet zo slecht. Ik denk dat collega trainee het wel met mee eens was. Hij heeft in ieder geval z’n bord leeggegeten. Dus dat lijkt me een goed teken.

Maar er moest natuurlijk ook gewoon gewerkt worden. Dus volop aan de slag om met de verschillende project teams te werken aan KoBo en tabletvaardigheden. Veel oefenen. Veel in gesprek over activiteiten en het waarom achter de ZOA projecten. Maar vooral heel praktisch. Vermoeiend, maar zo de moeite waard. Aan het einde van de dag, hardloopschoentjes aan en de Afrikaanse zonsondergang tegemoet lopen. Oké, in alle eerlijkheid, de volgende dag was ik zo moe dat ik op een stoel in slaap viel.

Ik had het in het begin over mindere momentjes. Want die waren er ook. Het was een pittige week voor het team in ZOA Amudat. En alsof dat nog niet genoeg was, werden collega-trainee en ik allebei een beetje ziek. Hij was er echt even tussenuit. Ik ben een avond vroeg in mijn bed gedoken en heb gewoon doorgewerkt, maar echt leuk was anders. Waar de week fantastisch begon met goed eten en koud bier, eindigde die in kopjes thee en koude rillingen. Ondertussen zijn we allebei weer up and running. En ja, ook dit hoort erbij.

En daar zit voor mij de kracht van familie. Het lijkt een vast onderwerp van gesprek met collega’s, vrienden ver weg en dichtbij. Ik zie familie als veel breder dan alleen de mensen met wie je je genen deelt. Afgelopen week is bijvoorbeeld de staff van Camp Rising Sun 2017 begonnen met hun training. Een jaar geleden was ik daar zelf bij. En wat was ik er graag nu ook weer bij geweest, maar ik heb nu een nieuwe familie. Ik leef een nieuw avontuur, waarin ik serieus nadenk over hoe ik hier familie kan zijn. Maar dat neemt niet weg, dat ik mijn camp familie af en toe vreselijk mis. Ik mis mijn eigen familie. Bijvoorbeeld als ik emails krijg van één zin van mijn papa met een foto van de zelfgemaakte hooiberg die nu bijna af is en bestempelt als mijn toekomstige trouwlocatie. Neem het allemaal maar niet te serieus, maar toch zegt het wel iets. Er is namelijk in de afgelopen weken een lichte vrolijkheid gaan groeien in mij die vreugde vind in het vinden van nieuwe familieleden.

Want dat zijn de vrienden, broers, zussen, mama’s, papa’s en geliefden waarmee je alles kunt delen. Waarmee je in een hutje zou kunnen leven. Die een hooiberg voor je bouwen. Skype dates organiseren tijdens een barbeque op een zaterdagavond. Fijne dagen met lekker eten en goede koffie in een schattig restaurantje in Kampala. Die je onder de dekens laten kruipen met een warme kruik tegen de buikkramp en je voorlezen. Het zijn de mensen die je helpen zoeken naar een haar elastiekje dat je op de grond hebt laten vallen. Het is het kleine meisje dat te verlegen is om haar naam te zeggen, maar wel graag je hand even wil vasthouden. Familie zijn de mensen die je horen zuchten aan het einde van een lange werkdag vragen of je een rotdag had en dan zeggen dat het morgen vast beter zal gaan. Het zijn de mensen met wie je een bord ijs deelt. En met wie je naar de sterren staart, droomt over de toekomst, maar vooral leeft in het moment. Samen een plekje creërend in de familie van alle dingen.

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about your despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Je hoeft niet goed te zijn.
Je hoeft niet op je knieën te lopen
Voor honderd mijl door de woestijn, vol berouw.
Je hoeft alleen maar het zachte dier van je lichaam
Te laten liefhebben wat het liefheeft.
Vertel me je wanhoop, jij, en ik vertel je over mijn.
Ondertussen draait de wereld door.
Ondertussen bewegen de zon en de kristallen regendruppels,
Over de landschappen,
Over de prairies en de diepe bomen,
De bergen en de rivieren.
Ondertussen gaan de wilde ganzen, hoog in de schone blauwe lucht,
Terug naar huis.
Wie je ook bent, hoe eenzaam je ook bent,
De wereld opent zichzelf voor jouw verbeelding,
Roept naar je als de wilde ganzen, hard en opwindend –
Opnieuw en opnieuw je plaats benoemend,
In de familie van alle dingen.

Mijn eigen vertaling van Wild Geese – by Mary Oliver